Elektrocardiogram

Ontstaan van het elektrisch veld in het hart en daarmee het principe van het ecg

Een elektrocardiogram of ecg (in Nederland in de volksmond vaak hartfilmpje genoemd) is een registratie van de elektrische activiteit van de hartspier. Het apparaat waarmee dit gemeten wordt heet een elektrocardiograaf. Een spiercel trekt samen onder invloed van natrium-, kalium- en calciumionen die door de celmembraan heen en weer worden getransporteerd. Het ladingstransport en de elektrische activiteit gaan vooraf aan de mechanische activiteit.

Het aan de buitenkant van het lichaam afgeleide ecg is een registratie van de resulterende som van al die afzonderlijke potentialen van alle hartspiercellen samen in de tijd. De gemeten elektrische spanning is in de orde van grootte van 1 millivolt, er is dus gevoelige apparatuur nodig. Ook moet de patiƫnt goed stilliggen om de meting niet door de activiteit van andere spieren te storen.

Uit een ecg is veel informatie te krijgen over de werking van de hartspier, met name bij ritmestoornissen. Over de pompwerking van het hart geeft het echter alleen op indirecte wijze informatie. Bij zuurstoftekort van de hartspier zijn ook karakteristieke afwijkingen zichtbaar.

De Nederlandse arts Willem Einthoven heeft een zeer vooraanstaande rol gespeeld bij de ontwikkeling van de elektrocardiografie. Hij vond in Leiden het ecg uit als diagnostisch instrument en ontving daarvoor de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde in 1924.