Kapitaal (economie)

Kapitaal is, in de definitie van Adam Smith, bezit dat gebruikt wordt om een inkomen te verwerven.[1]

In de economische wetenschappen wordt het woord in verschillende betekenissen gebruikt, die alle raakvlakken hebben met Smiths definitie. De belangrijkste daarvan zijn:

  • Financieel kapitaal
  • Aandelenkapitaal
  • Kapitaal is het totaal van kapitaalgoederen in een maatschappij. Kapitaalgoederen (of productiegoederen) zijn goederen die gebruikt worden om andere goederen te produceren. Hiervoor wordt ook wel de term productiemiddelen gebruikt. Wanneer het over de 'productiefactor kapitaal' gaat, wordt meestal dit kapitaalbegrip bedoeld. Dit is 'concreet kapitaal'.
  • Kapitaal is de geldswaarde van de kapitaalgoederen in de maatschappij. Waar het concrete kapitaalbegrip betrekking heeft op een in principe heterogene groep goederen, is hier het begrip homogeen gemaakt door de verschillende goederen te vermenigvuldigen met hun respectieve prijzen. Men spreekt dan wel van 'abstract kapitaal': een beschikkingsmacht die reeds belichaamd kan zijn in machines e.d., maar die ook nog in de geldvorm kan bestaan.
  • Kapitaal is een productieverhouding. De nadruk wordt gelegd op de beschikkingsmacht, al dan niet in geld uitgedrukt. Bij sommige klassieke economen en bij Marx wordt het kapitaal niet slechts beschouwd als een hoeveelheid productiemiddelen, of de geldswaarde ervan, maar wordt tot het kapitaal ook het loonfonds gerekend. Wat hierboven als concreet kapitaal wordt aangeduid heet bij Marx 'constant kapitaal'; het loonfonds heet 'variabel kapitaal'.
    Het kapitaal is in priv├ębezit en wordt uitsluitend aangewend om zo veel mogelijk winst te maken. Het kapitalistische stelsel wordt geregeerd door de macht van dit kapitaal.
  • Kapitaal is het totaal van de kapitaalgoederen waarin het vermogen van een onderneming is vastgelegd (en soms: het vermogen van die onderneming zelf. Zie: kapitaal (bedrijfseconomie).