Geneeskunde | specialismen in nederland

Specialismen in Nederland

De opleiding tot arts bestaat in Nederland uit een gedeelte van vier jaar dat afgesloten wordt met een doctoraalexamen. Daarna volgt nog een gedeelte van twee jaar welke bestaat uit het volgen van verschillende stages (coassistentschappen) in allerlei specialismen als coassistent. Sommige opleidingen zijn gaandeweg overgestapt op het bachelor-master systeem. Uiteindelijk sluit de student de opleiding af met het afleggen van het artsexamen. Na succesvolle afronding verkrijgt hij zijn artsenbul en wordt geregistreerd in het BIG-register als basisarts. Daarmee kan men echter nog weinig beginnen. Er volgt eerst nog een specialisatie, bijvoorbeeld als huisarts, internist, longarts, oogarts etc. Pas na die specialisatie is men daadwerkelijk geneeskundig voldoende geschoold om volledig zelfstandig patiënten te behandelen. De studie inclusief specialisatie duurt in totaal negen tot twaalf jaar.

Door sommige universiteiten is het curriculum gewijzigd waardoor studenten al in hun vierde jaar in de kliniek stages volgen. Dit is bijvoorbeeld het geval op de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit van Utrecht (al in het derde jaar) en de Vrije Universiteit.

In Nederland zijn er drempels bij het inschrijven voor de opleiding geneeskunde, omdat er minder opleidingsplaatsen dan aanmelders zijn. De overheid hanteert daarom een numerus fixus (instroombeperking) geregeld via de Dienst Uitvoering Onderwijs. De meeste plaatsen werden vergeven door middel van een gewogen loting, maar op enkele universiteiten (Rotterdam, Amsterdam (UvA en VU) en sinds 2009 ook Groningen) bestond al de mogelijkheid om via decentrale selectie een opleidingsplaats te bemachtigen. Vanaf 2015 is er geen gewogen loting meer en hanteren alle universiteiten de decentrale selectie. In Groningen (zijinstroom geneeskunde), Utrecht ( SUMMA) en Maastricht ( A-KO) is er de mogelijkheid om via zij-instroom of een ander verkort traject arts te worden. Bij de SUMMA en A-KO wordt naast de opleiding tot arts ook opgeleid tot klinisch onderzoeker. Om toegelaten te worden tot de SUMMA (40 plaatsen per jaar) en de A-KO (55 plaatsen per jaar), moet de kandidaat een kennistoets en een serie interviews afleggen. Deze interviews gaan in op de motivatie en communicatieve vaardigheden van de onderzochte.

Binnen de moderne geneeskunde bestaan er meer dan 700 specialismen, waarvan er in Nederland een dertigtal gangbaar zijn. Na zijn basisopleiding volgt nagenoeg elke arts een opleiding tot enig specialisme. Daarin kunnen drie hoofdrichtingen worden onderscheiden: de eerstelijns curatieve zorg, de sociale geneeskunde en de klinische specialismen. Enkele specialismen zijn niet officieel erkend. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG) formuleert de opleidingseisen en beheert de registers voor de diverse specialismen. Registratie van de arts in een van deze registers is een waarborg voor de kwaliteit van diens opleiding.

De eerstelijns curatieve zorg kent drie specialismen: huisartsgeneeskunde, verpleeghuisgeneeskunde en arts voor verstandelijk gehandicapten.

De sociale geneeskunde richt zich onder meer op de gezondheid van (specifieke groepen binnen) de bevolking. Tot de sociale geneeskunde worden gerekend de specialismen arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde, maatschappij en gezondheid en verzekeringsgeneeskunde.

De forensische geneeskunde vormt een aparte subdiscipline binnen de geneeskunde en maakt tevens deel uit van de forensische wetenschap.

De klinische specialismen vindt men doorgaans terug in het ziekenhuis. Zij kunnen zich onder andere bezighouden met een specifiek orgaan (bijvoorbeeld oogheelkunde), orgaansysteem (bijvoorbeeld gastro-enterologie) of met systemische ziekten (bijvoorbeeld reumatologie). Zij kunnen zich ook toespitsen op een bepaalde levensfase (bijvoorbeeld neonatologie, geriatrie, op de gevolgen van niet te genezen aandoeningen (bijvoorbeeld revalidatiegeneeskunde) of op een aspect van het menselijk gedrag (bijvoorbeeld seksuologie). Ten slotte zijn er de zogenaamde ondersteunende specialismen, die zich bezighouden met laboratoriumonderzoek voor de diagnostiek en de behandeling zoals medische microbiologie, klinische chemie en pathologie (pathologische anatomie). De in Nederland erkende klinische specialismen zijn:

beschouwend
dermatologie, interne geneeskunde,cardiologie, gastro-enterologie, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, reumatologie, kindergeneeskunde, klinische neurofysiologie, neurologie, psychiatrie, en revalidatiegeneeskunde.
ondersteunend
anesthesiologie, klinische genetica, klinische chemie, medische microbiologie, nucleaire geneeskunde, oncologie, pathologie, radiologie en radiotherapie.
snijdend
heelkunde, KNO-heelkunde, neurochirurgie, gynaecologie, kaakchirurgie, oogheelkunde, orthopedie, plastische chirurgie, algemene chirurgie, thoraxchirurgie en urologie.

Binnen deze specialismen bestaan nog tal van kennisgebieden, zoals de hepatologie binnen de inwendige geneeskunde.

Niet erkende specialismen zijn onder meer tropengeneeskunde, sportgeneeskunde, allergologie en militaire gezondheidszorg.