Gustave Rolin-Jaequemyns | het politieke klimaat in belgië

Het politieke klimaat in België

Voorblad van het satirische tijdschrift La Bombe over de schoolstrijd

Vanaf het revolutiejaar 1848 was de liberale vleugel dominant in de Belgische samenleving. Weliswaar waren er katholieke kabinetten, maar ook die ondersteunden de liberale visie van laissez faire, laissez passer: de persoonlijke vrijheid en het economisch leven moesten zo min mogelijk worden beperkt door invloeden van de staat, al werd daar in tijden van recessie wat minder streng de hand aan gehouden. Het is echter onjuist het liberalisme in het België van die tijd af te doen als de ideologie van de bezittende klasse die op vergroting van haar rijkdom en invloed uit was. Er was wel degelijk sprake van een cultuurideaal, dat beoogde de belemmering van de persoonlijke ontplooiing, zowel in economisch als in geestelijk opzicht, en het individu te bevrijden uit de overheersing door dogma en bevoogding door kerk en staat. Bij Rolin-Jaequemyns komt dit tot uiting in zijn deelname aan de strijd binnen wat de Vlaamse Beweging werd genoemd.

Rond 1850 verscherpte de tegenstelling tussen de liberalen en de katholieke politici. Aan katholieke zijde overwon de ultramontaanse vleugel, mede onder invloed van de in 1864 uitgevaardigde pauselijke encycliek Quanta Cura en met name de daaraan toegevoegde Syllabus Errorum, waarin bepaalde maatschappelijke tendensen werden veroordeeld.

Aan liberale zijde, met name in kringen van vrijmetselaars en de Université Libre de Bruxelles, richtte men zich op het principe van "vrij onderzoek", dat onverenigbaar was met het katholieke dogmatisme. Dit verscherpte de antiklerikale houding van de liberalen, die zich toen ontwikkelde tot strijdbaar antikatholicisme. De totale laïcisering van de maatschappij werd het voornaamste doel van de liberalen, die dit trachtten te bekomen door middel van staatsinterventies in het overwegend door katholieke organisaties gedomineerde maatschappelijk leven. De strijd werd niet alleen uitgevochten op economisch vlak, waar de liberalen poogden middels een kredietmaatschappij van pachters zelfstandige, vrije boeren te maken, maar vooral ook op het terrein van het onderwijs.

De zaak bereikte in 1855 een climax met de kwestie Laurent-Brasseur, twee Gentse professoren die ex cathedra stellingen hadden verkondigd die strijdig waren met de katholieke leer. De Katholieke Kerk had met de Conventie van Antwerpen, zonder dat er een wet werd gewijzigd, een stevige vinger in de academische pap gekregen. Deze kwestie maakte het conflict tussen academische en onderwijsvrijheid en de katholieke geestelijkheid pas goed duidelijk en België werd verdeeld in een klerikaal en een antiklerikaal kamp die elkaar bestreden.