Joden | beknopte joodse geschiedenis
English: Jews

Beknopte Joodse geschiedenis

1rightarrow blue.svg Zie Joodse geschiedenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Geschiedenis volgens de Tenach

De oorsprong van het Joodse volk wordt gezocht rond het einde van de derde dynastie van Ur (2070 - circa 1950 v.Chr.), omstreeks de periode van de twaalfde dynastie van de farao's in Egypte en de eerste Babylonische dynastie (circa 1800 - 1500 v.Chr.).

Aartsvader Abraham, wiens geschiedenis in het Bijbelboek Genesis staat beschreven, wordt volgens de overlevering beschouwd als de stamvader van het volk Israël. Abraham (toen nog Abram) was een nomade, die van Ur in het zuidwesten naar Haran in het noordwesten van Mesopotamië trok. Daar gelastte God hem zijn land en familie te verlaten en in een ander land een eigen volk te stichten. Genesis 12:2: 'Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn'. Abraham gehoorzaamde en vertrok met zijn hele familie en al zijn dienaren en vee naar het land van de Kanaänieten in West-Palestina. Daar bivakkeerde de groep in tenten, groef waterputten voor mensen en vee en trachtte de periodieke droogte te overleven. Wanneer dat moeilijk werd verhuisde men tijdelijk naar de Nijldelta in Egypte.

Volgens de Bijbelse en joodse traditie sloot God met Abraham in Kanaän een plechtig en eeuwig verbond. Het teken daarvan was de besnijdenis. Deze gewoonte werd van vader op zoon doorgegeven. Nog altijd worden Joodse jongetjes op de achtste dag na hun geboorte mits zij kerngezond zijn tijdens een religieuze plechtigheid besneden.

Via Abrahams zoon, aartsvader Isaak, diens zoon Jakob en zijn twaalf zonen werd het geloof in de God van Abraham op het snel groeiende volk overgedragen. Ook tijdens het vierhonderdjarige verblijf (het exacte aantal jaren is niet bekend, want er is geen enkel bewijs of spoor van gevonden) in Egypte (mogelijk van circa 1850 - 1450 v.Chr.) bleef wat er reeds bestond aan eigenheid van geloof en rituelen bewaard.

Mozes, afkomstig uit de stam Levi, die volgens de Bijbelse geschiedenis door de dochter van de farao werd opgevoed, leidde het volk Israël in opdracht van God het land Egypte uit (de exodus). In de woestijn van de Sinaï ontving het volk via Mozes de tien geboden en overige wetgeving en werd een mobiele plaats van samenkomst, de tabernakel, gebouwd. Mozes' opvolger Jozua leidde het volk over de Jordaan het Beloofde Land (Kanaän) binnen. Na een periode van oorlog werd het land, verdeeld in stamgebieden, in bezit genomen. Een periode van richters, hogepriesters en profeten werd gevolgd door de periode van de koningen. Belangrijk in dit verband is, dat bij vrijwel elke nieuwe ontwikkeling die het volk (en soms een individu) doormaakte, volgens de religieuze joodse traditie het verbond tussen God en Abraham plechtig werd bevestigd. Daarmee werd ook steeds opnieuw het gehele Joodse volk aangespoord God te gehoorzamen en Hem als enige God te dienen.

Joden tijdens de Tweede Tempelperiode

De tijdens de regering van Salomo gebouwde Eerste Tempel in Jeruzalem, en later de Tweede Tempel, gebouwd door de uit Babylonië teruggekeerde Joden, waren centra van onder meer de nationale viering van joodse feestdagen. Ook hield zich hier het puikje van de joodse religieuze geleerdheid op, werd er recht gesproken en onderwezen in de wet en andere Joodse geschriften. Voor het levend houden van het nationale en religieuze bewustzijn was de tempel van groot belang.

Na de terugkeer uit de ballingschap was Juda aanvankelijk een onbeduidend tempelstaatje. Na de veroveringen door Alexander de Grote kwam het eerst onder bestuur van de Ptolemaeën te staan, later onder bestuur van de Seleuciden.

Het Joodse land tijdens Herodes de Grote

In 167 v.Chr. brak de Makkabese opstand uit, die er uiteindelijk toe leidde dat er opnieuw een onafhankelijke Joodse staat ontstond, onder de koningsdynastie van de Hasmoneeën. In deze periode werd het rijk steeds meer uitgebreid, tot het de omvang had die het eens onder koning David gehad had (zie kaartje).

In 63 v.Chr. kwam er een einde aan de zelfstandige Joodse staat doordat de Romeinen Jeruzalem innamen. In 37 v.Chr. stelden de Romeinen Herodes I (ter onderscheid de Grote genoemd) aan als vazalkoning over het grote Joodse land. Hij bracht het land economische bloei, hoewel alleen de rijken hiervan profiteren. Zijn restauratie van de tempel maakte deze nog meer dan voorheen hét centrum van de joodse religie. De streng gelovige delen van het volk hebben hem zijn cynische machtspolitiek en zijn pogingen om de Joodse en Griekse beschaving te combineren echter nooit vergeven.

In de decennia die volgden wisselden bestuur door de Herodiaanse dynastie en direct Romeins bestuur elkaar in de verschillende delen van het Joodse land af.

Groeperingen binnen het jodendom in de tijd van de Tweede Tempelperiode: Farizeeën -- Sadduceeën -- Boethusianen -- Essenen -- Qumrangemeenschap -- Zeloten -- Sicariërs -- Herodianen -- Samaritanen

In 66 groeide de zoveelste opstand tegen de Romeinen uit tot de Joodse oorlog, die eindigde in het jaar 70 met de verwoesting van de Tempel van Jeruzalem en de rest van de stad. Veel Joden werden gedood of als slaaf weggevoerd.

Na de Bar Kochba opstand (132-135) werden de Joden verbannen uit Judea en Jeruzalem. Velen gingen naar Galilea, waar ze wel mochten wonen. De grond van Jeruzalem werd omgeploegd, en met puin geëgaliseerd. Jeruzalem werd daarna een puur Romeinse stad.

De triomftocht van de Romeinen met de geroofde tempelschat - onder meer de menora - uit Jeruzalem op de binnenzijde van de boog van Titus op het Forum Romanum te Rome

Diaspora

1rightarrow blue.svg Zie Joodse diaspora voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de mislukte opstand van Bar Kochba stond voor Joden de doodstraf op het binnenkomen in Jeruzalem. De Joodse nationale staat eindigde met het verlies van het politieke en religieuze middelpunt. Het geestelijke middelpunt bleef de synagoge.

Veel verdreven Joden vestigden zich in Babylon, waar ze onder de heerschappij van de Parthen tot welstand kwamen. Onder de Sassaniden vonden vervolgingen plaats door de priesterkaste van de Magiërs, maar onder Arabische heerschappij verbeterde de positie van de Joden.

Van kritiek belang voor het ontstaan van een nieuwe vorm van de Joodse traditie was de ontwikkeling van de interpretaties van de Thora, die in de Misjna en Talmoed werden gevonden. Circa 500 werd de Babylonische Talmoed voltooid, die bestaat uit de Misjna (leer) en de Gemara (gesprekken over de leer).
Van Babylon trekken de Joden naar Afghanistan, Perzië, Indië, Armenië en het Kaukasusgebergte.

Veel Joden werden verkocht in de slavernij, terwijl anderen burgers van andere delen van het Romeinse Rijk werden. Dit is de traditionele verklaring voor de diaspora. Nochtans was een meerderheid van de Joden in de oudheid waarschijnlijk nakomeling van mensen in de steden van de hellenistisch-Romeinse wereld, vooral in Alexandrië (waar kort nadat de stad gesticht was een grote Joodse gemeenschap was ontstaan) en Klein-Azië. Dezen werden slechts beïnvloed door de diaspora in zijn geestelijke betekenis, in de betekenis van het verlies van de hoeksteen van het joodse credo. Het beleid van bekering, dat de joodse godsdienst in de hellenistische beschaving uitspreidde, zou naar verluidt met de oorlogen tegen de Romeinen geëindigd te zijn.

Joden in de diaspora

Verbonden door hun unieke etniciteit en monotheïstische religie zijn de Joden door de eeuwen heen, ook in de diaspora, als groep apart, maar niet geïsoleerd gebleven. Hoewel de joodse religie bekering actief ontmoedigt, worden bekeerlingen toch als volwaardige Joden gezien en hebben zij als zodanig geen aparte status.

De joodse wetten uit de Thora (uitgewerkt in de Talmoed, Hebreeuws: תלמוד), waaronder de reinigingswetten en de wet op de sjabbat, alsmede de briet mila, de synagoge en de joodse feesten zijn overal ter wereld verbindende elementen geweest. Ook het joodse onderwijs, zoals de Jesjiva (Hebreeuws: ישיבה, uitspraak: jesjiwa, vertaling: gebied) en Cheider, (Hebreeuws: חדר, uitspraak: cheider, vertaling: kamer), en de rabbijn (Hebreeuws: raw, Jiddisch: rebbe), die de functie vervult van wetsuitlegger; leerling en leraar, hebben in hoge mate bijgedragen tot het behoud van het eigen karakter van de Joodse samenleving.