Presocratische filosofie | historische ontwikkeling

Historische ontwikkeling

Voor het ontstaan van de filosofie waren er diverse Grieken die bekendstonden om hun praktische wijsheid en theologische en kosmologische speculatie. De presocratische filosofie zelf ontstond in de 7e eeuw v.Chr. in de Ionische steden. Ze raakte aan zowel religie als wetenschap. Het vernieuwende aan de filosofie was de kritische en theoretische benadering van de mens, de goden en de kosmos.

Ontstaan en verbreiding

Ionië, een regio in westelijk Anatolië dat gekoloniseerd was door Grieken. Hier ontstond de vroegste filosofie.
Kaart van de Griekse wereld met de plaatsen waar presocraten actief waren in rood.

Voordat de presocraten actief waren, kenden de Grieken een reeks wijzen, zoals de Zeven Wijzen, onder wie ook Thales van Milete. De wijzen stonden bekend om hun praktische inzichten: Solon (ca. 594 v.Chr.), Chilon van Sparta (ca. 560 v.Chr.), Bias van Priene (ca. 570 v.Chr.), Cleobulus van Rhodos (ca. 600 v.Chr.), Pittacus van Mitylene (ca. 600 v.Chr.), Periander (625 - 585 v.Chr.), Aristeas van Proconessus (7e eeuw v.Chr.). Tot slot kenden men andere wijzen, die als voorlopers van de presocraten gelden: Pherecydes van Syros (ca. 540 v.Chr.), Anacharsis (ca. 590 v.Chr.), Theano (5e eeuw v.Chr.), Theagenes van Rhegium, Acusilaus, Cleostratus van Tenedos en Epimenides. Van veel anderen is weinig meer bekend dan alleen de naam.

De presocraten kwamen niet uit Griekenland, maar uit de kolonies in Ionië (West-Turkije) en Magna Graecia (Zuid-Italië). Het Ionische Milete was een welvarende handelsstad waar men een goede levensstandaard kende dankzij menselijk vernuft, wat suggereerde dat men niet hoefde te vrezen voor de grillen van goden in een chaotische wereld, zodat een grotere waardering ontstond voor de rol van de mens in de wereld. Deze seculiere houding werd de grondslag voor filosofisch denken. Bovendien kenden de Griekse stadstaten geen theocratie maar een hoge mate van vrijheid van denken. Daarnaast moesten verschillende mensen door de welvaart niet langer werken en hadden zij dus gelegenheid voor contemplatie zonder praktisch doel.[6] Aristoteles schreef bijvoorbeeld:

'Het was door het voorzien in de hoofdbenodigdheden van niet alleen het leven maar ook een goed leven, dat de zoektocht naar deze intellectuele voldoening begon.'[p 3]

Milete en andere Ionische steden stonden in betrekkelijk nauw contact met niet-Griekse culturen zoals Lydië, Perzië, Egypte en Fenicië. Naast import van goederen bestond ook import van Midden-Oosterse wetenschap.[7] Zo was de Babylonische astronomie bekend in de kustgebieden van Anatolië en heeft die de Grieken tot onderzoek aangezet. Zo zou Thales een zonsverduistering van 585 v.Chr. hebben voorspeld.[8] Het is tevens mogelijk dat zijn theorie dat alles ontstond in en rustte op (oer)water terugging op oosterse tradities.[9]

In de 5e eeuw v.Chr. worden de stadstaat Athene en Magna Graecia belangrijk voor de ontwikkeling van de filosofie. De verklaring daarvoor zijn de verovering van Ionië door de Perzen, de mislukte opstand van onder andere Milete tegen de Perzen in 499 v.Chr., en de groeiende politieke en culturele dominantie van de Athene.[10]

De presocratische filosofie verbreidde zich omdat tussen de kolonies veel contact was, en omdat sommige filosofen reisden. Dat was het geval bij Pythagoras, Xenophanes, Empedocles, Parmenides, Zeno en Anaxagoras. Klassieke bronnen leveren weinig bewijs voor ontmoetingen tussen presocraten, maar onderzoekers nemen aan dat die soms plaatshadden om bijvoorbeeld te verklaren waarom Melissus van Samos erg goed op de hoogte was van Parmenides' filosofie.[11]

De verbreiding van filosofische noties gebeurde schriftelijk en mondeling door reiscontacten en voordrachten. In Plato's Phaedo[p 4] staat dat Socrates op straat iemand hoorde voorlezen uit 'een boek' (enkelvoud, ek bibliou) van Anaxagoras. Hij raakte geïnteresseerd en schafte 'de boeken' (meervoud, biblious) aan. Op dat moment was Anaxagoras na een langdurig verblijf niet meer in Athene. Kennelijk had hij daar een volgeling die kopieën van zijn boekrollen verkocht door een samenvatting voor te lezen als reclame. In de Apologie[p 5] merkt Socrates aan het eind van zijn leven op dat op de markt nog steeds boekrollen van Anaxagoras te koop zijn voor een drachme (destijds het dagloon van een ambachtsman). In de Parmenides[p 6] staat tot slot beschreven hoe Parmenides en zijn leerling Zeno in Athene aankomen tijdens de Panathenaeën, een festival met onder meer diverse competities en literaire voordrachten. Zeno draagt er zijn boek voor, waarna een discussie met Socrates volgt. Voordrachten vonden meer plaats.[p 7] Het doel ervan was om de reputatie van een auteur te vergroten. Met onderwijs, privévoordrachten en het vervaardigen van teksten kon men eveneens geld verdienen.[12]

Protowetenschappers

Presocraten onderscheidden zich onder andere door afstand te doen van traditionele verklaringen voor de wereld, maar religieuze en mythologische opvattingen werkten door in hun ideeën. Enkelen stonden ook bekend als magiërs, zoals Empedocles, die zich tevens mythologisch uitdrukte.

Presocraten noemden zichzelf geen filosofen, en in hun tijd werd ook geen goed onderscheid gemaakt tussen religie, filosofie en wetenschap. Hun attitude en benaderingswijze maakten van de presocraten geen wetenschappers in moderne zin, want ze verkozen niet-verifieerbare en speculatieve theorie boven observatie en experiment, maar ze gelden wel als protowetenschappers.

Filosofie, religie en wetenschap

Een criterium om de presocraten als de eerste filosofen te beschouwen, is omdat zij afstand namen van religie, mythische voorstellingen en goden als verklaringen voor natuurverschijnselen. Wijzen zoals Hesiodus en Pherecydes van Syros zijn voorgangers van de filosofen. Afgezien van de atomisten waren veel presocraten theïstisch. Parmenides en Empedocles (maar ook Plato nog) wezen mythologie niet af, en theologie maakte deel uit van het denken van Xenophanes en Heraclitus. Onder meer Empedocles en Pythagoras hadden een hang naar mystiek,[13] en hun denken vertoont beïnvloeding van het orfisme, een mysteriecultus.

Religie stond niet los van wetenschap, want presocraten beschouwden natuurkrachten en -elementen nog als goddelijk. Dat had niettemin als doel de natuurlijke orde te verklaren als harmonisch geheel, terwijl de traditionele goden juist verstoringen daarvan verklaarden.[14] Een algemeen principe dat de natuur moest verklaren gold als ultieme verklaring en moest goddelijk zijn omdat het zelf geen oorzaak kende. Anaximander noemde zijn Oneindige bijvoorbeeld niet het eerste principe van de kosmos omdat het goddelijk zou zijn, maar noemde het Oneindige goddelijk omdat het het eerste principe is.[p 8] Presocraten filosofeerden dus over de goden, het goddelijke en de natuur vanuit theïstisch perspectief. Die houding tegenover natuur en goden verklaart zowel vroom taalgebruik bij presocraten als hun kritiek op traditionele opvattingen over de goden, zoals Xenophanes' standpunt dat de mythisch godsvoorstellingen onvoldoende passend waren voor het goddelijke.[15]

Het onderscheid tussen filosofie en wetenschap bestond in de 6e en 5e eeuw v.Chr. nog niet.[16] Presocraten noemden zichzelf geen filosofen of wetenschappers[17] en onderscheidden zichzelf vermoedelijk niet duidelijk van hun voorgangers.[18] De begrippen filosofie (filosofia) en filosoof (filosofos) waren nog in ontwikkeling. Sofia had in Thales' tijd praktische connotaties: 'slimheid' en 'vakkundigheid'. Vanaf het eind van de 5e eeuw v.Chr. werd het woord de aanduiding voor expertise in vroegwetenschappelijke kennis over hoe de wereld en de mens werkten.[19] De presocraten werden later door bijvoorbeeld Aristoteles beschouwd als fysici (fysikoi). Fysica was de studie van de natuurlijke dingen, en omdat daar bij de presocraten de focus op lag, noemde Aristoteles hun werk fysiologia.[20]

Vernieuwing

Hoewel presocratische filosofie niet uniform was, vormde de behoefte om alles te verklaren en te systematiseren de verbindende factor. Hesiodus had dat gedaan in mythische en genealogische termen, maar wat presocraten (en sofisten) van hem onderscheidden was dat ze een theorie over alles wilden maken die verklarend, systematisch, coherent, beargumenteerd, educatief, kritisch, onconventioneel en daarmee vernieuwend was en aanleiding gaf tot discussie.[21] Een voorbeeld van een presocratische redenering is onderstaand fragment van Melissus:

'Als het is, dan moet het een zijn; en als het een is, kan het geen lichaam hebben. Als het massa zou hebben, dan zou het delen hebben en niet langer een zijn.'[p 9]

Ze namen aan dat de wereld te begrijpen valt met het verstand en analyseerden daarom problemen. Ze stelden bijvoorbeeld de vraag waarom vuur het huis verwarmde, zand in glas deed veranderen, ijzer deed smelten maar baksteen juist hard maakte. Hun benadering was reductionistisch, generaliserend en holistisch, omdat ze zo veel mogelijk met zo min mogelijk wilden verklaren. Daarvoor definieerden ze bijvoorbeeld een oersubstantie (de archè) als basis voor de kosmos en zijn werking.[22]

Voor hun overdenkingen ontwikkelden ze nieuwe, abstracte concepten. Een eerste voorbeeld is archè, 'begin/oorsprong'. Dit betekende vervolgens 'beginsel', en kon gebruikt worden om er 'principes' in de natuur mee aan te duiden, 'heersende beginselen'. Een tweede voorbeeld is kosmos. Dit betekende oorspronkelijk 'orde' en 'sieraad', van het werkwoord voor 'ordenen/regelen/indelen/gereedmaken'. Kosmos was vooral mooie en goede ordening. In dagelijks taalgebruik was het niet nodig om naar het geheel der dingen te verwijzen, maar presocraten gingen dat wel doen. Kosmos kreeg daarom de betekenis van 'mooi en geordend geheel/universum'. Een derde voorbeeld is fysis. Aanvankelijk betekende dit 'natuurlijke groei', 'het verwekte', 'natuurlijke ontwikkeling'. Vandaar kreeg het de betekenis 'aard/aanleg/natuur' en vandaar 'begrip/betekenis', maar ook 'het geheel van de natuurlijke dingen', tegenover de door mensen gemaakte dingen. Presocraten onderzochten de natuur en de aard van de dingen.[23]